Afspraak met de toekomst

Ze glimlachte terwijl ze op de bel drukte: nu was het eindelijk tijd! Vanavond zou het leven voor haar echt beginnen. Dat wist ze al sinds hij haar had opgebeld. Hij was thuis voorgoed. Geen verre reizen meer voor hem, gewoon een baan van 9 tot 5 en zij. Haar wou hij zien, meteen. Ja, hij had last van een jetlag, maar hij moest haar spreken, dringend!

Zenuwachtig stond ze daar nu dus, wachtend op de deur die openging en hem, haar toekomst. Helaas ging de deur niet open … Ze drukte nog een keer, langer, aanhoudender. Hij had het misschien niet gehoord, toch in slaap gesukkeld, de arme man. Er gebeurde echter niets, nog steeds een gesloten deur. Vreemd!

Hij had er niets van willen weten toen ze zei dat ze wel een dag kon wachten. Ja, natuurlijk had ze hem gemist, maar als ze hem nu zag wou ze hem volledig. Geen vent die haar afwimpelde na een uur, wegens te moe. Hij had gegrinnikt en gezegd : ‘misschien hou ik jou wel bij voor de rest van jouw leven, geen afwimpelen mogelijk.’. Ze had niet meteen een antwoord gegeven waardoor hij haast bevelend zei dat ze moest komen, nu!

Nu was ze hier, maar de deur bleef dicht. Vreemd, zijn auto stond er. Nog een keertje aanbellen? Ze werd er een beetje onzeker van … Telefoneren? Ja, dat kon ze proberen, misschien lag zijn gsm wel naast hem en zou hij wakker schieten. Een beetje onhandig vond ze haar gsm en belde het gekende nummer. Vreemd, het was alsof ze in de verte een deuntje hoorde, ze liep er op af en inderdaad op het dashboard van de auto lag een gsm te trillen op de maat van een muziekje. Verdomme! Geen geluk, nog  een keertje aanbellen dan maar. Ze duwde een paar keer lang en een paar keer kort na elkaar, duidelijk gefrustreerd. Dit was zo niets voor hem!

Wat nu? De politie bellen? Het klonk haar zelf een absurd idee, maar hier blijven staan had ook geen zin. Naar huis dan maar … Teleurgesteld en licht geïrriteerd, draaide ze zich om en liep het pad af. Ze zouden er later vast wel mee kunnen lachen. Hij zou in het vervolg alleen wat beter moeten leren luisteren naar haar, besloot ze. Met een glimlach op haar gezicht bedacht ze dat de toekomst nog wel even kon wachten.

 

Waar was ze? Waar kwam dat geluid vandaan? Nog half in slaap probeerde ze zich te focussen. Ze lag in haar eigen bed. Het geluid dat ze hoorde kwam van beneden, haar gsm. Het is vast Peter dacht ze. Hij was wakker en moest beseft hebben dat hij haar gemist had. Met een glimlach op haar lippen donderde ze de trappen af. Ze liep naar het kastje waar haar gsm lag, nam hem zonder kijken op en zei : ‘ha, die slaapkop, was je bed net iets interessanter dan ik?’ Haar glimlach verdween echter als sneeuw voor de zon. De man aan de andere kant zei dat hij inspecteur was bij de lokale recherche en of ze kon langs komen. ‘Wat is er aan de hand?’, stamelde ze. ‘Mevrouw, u kunt beter naar het kantoor komen. Dit is geen gesprek om via de telefoon te hebben.’, hoorde ze hem zeggen. Haar hart pompte gevaarlijk hard, de knoop in haar maag was duidelijk aanwezig. Ze zei fluisterend dat ze er binnen het kwartier zou zijn. Hij vertelde haar dat ze niets dom moest doen en een half uur een betere en veiligere tijdspanne was. Hij zou haar aan de balie opwachten.

De inspecteur had gelijk gekregen. Althans dat vermoedde ze toch. Toen ze hem zag staan aan de balie, met een gezicht vol medelijden, dat hij probeerde te maskeren, werd het haar allemaal nog waziger. Wat was er aan de hand? Waar was Peter? Waar was haar toekomst?

Haar toekomst, ontdekte ze die morgen, lag in het mortuarium, vermoord. Wie zou Peter willen vermoorden? Hij was gewoon, een man, nu slechts een dossiernummer bij de recherche. Een lijk en wat ‘bewijsmateriaal’ en andere spullen in plastiek zakjes. Peter dood, WAAROM? Ze schreeuwde, ze huilde. De inspecteur en een vrouwelijke collega probeerden haar te troosten, maar ook hun vragen beantwoord te krijgen. Het leek haar een nachtmerrie, onwezenlijk, hij wou haar gisteren zien. Ze had het idee gehad dat hij haar eindelijk ten huwelijk ging vragen en nu, nu was hij dood. Ze zou het nooit weten. Speculeren kon ze wel, de politie had immers in zijn broekzak een doosje gevonden. Leeg weliswaar, alleen Peter kende de inhoud, maar hij was DOOD. Nooit zou ze nog kunnen zeggen hoeveel ze van hem hield, dat hij het was waarmee ze de toekomst tegemoet wou gaan. Nooit zou ze kunnen zeggen ‘ja’.

Advertenties