De oude man

Terwijl ik op de pier sta en kijk naar de zee, springen de woorden van Bram Vermeulen in mijn gedachten. Zacht zeg ik ze luidop : ‘Ik heb een steen verlegd in een rivier op aarde … Om hem dan glad en rond gesleten te laten rusten in de luwte van de zee.’

Grinnikend kijk ik rondom mij. Al die lijven die liggen te bakken en braden op het strand, zouden zij weten dat ze er uitzien als menselijke steenhopen? De een al wat ronder dan de andere, wat meer versleten soms ook. Uiteindelijk hebben we allemaal op de een of andere manier een rivier gevolgd … Vandaag ook letterlijk om hier te geraken aan de zee. Ik bv. zou gewoon de Schelde moeten hebben gevolgd … Mijmerend kijk ik nog eens rond : “stenen” genoeg, maar wat betekenen ze? Wat beteken ik?

Terwijl ik mijn gedachten de vrije loop laat, verlaat ik de pier en wandel haast doelloos verder de dijk op. De ondergaande zon zorgt er voor dat ik het eindelijk een beetje minder drukkend warm heb. Ze is waarschijnlijk ook verantwoordelijk voor het roodbruine tintje op al mijn onbedekte lichaamsdelen. Als daar maar geen vodden van komen met mijn huidtype, denk ik verstrooid. Die gele bol heeft echter haar steen verdient, ze leverde vandaag en al zovele decennia bewijs van haar bestaan. Gewoon heel eenvoudig, door te schijnen … Jammer genoeg is het mens-zijn wat complexer.

Wanneer ik mij uiteindelijk neervlij op een van de bankjes op de pier, schud ik verward mijn hoofd. Filosofie is nooit echt mijn ding geweest en toch zit ik hier … Denkbeeldig speel ik met mijn steen. Hoe zou hij er uitzien na bijna 30 jaar? Hoe leverde ik reeds bewijs van mijn bestaan? Waar heb ik mij ergens gemoeid, ergens geroepen ‘Hier ben ik!’ en de weg van de rivier zien veranderen? Heb ik de mensen rondom mij bekeerd?

Kijkend naar het kabbelende zeewater, dat er steeds meer en meer verlaten begint bij te liggen, voel ik de drang om te gillen : ‘JA! JA! JA!’ Helaas zou de oude man, die nu naast mij zit op het bankje, zich verrot schrikken. Alleen al het idee zorgt er voor dat ik luidop begin te lachen. Mijn bankgenoot kijkt me vreemd aan. Voor ik sorry kan mompelen, zie ik de pretlichtjes in zijn ogen verschijnen en begint hij zelf ook te lachen. Geen van beiden trekken we ons iets aan van de mensen rondom ons. We blijven gewoon lachen tot het overgaat.

‘Mijn God, dat kan deugd doen. Ik denk niet dat ik meer zo spontaan gelachen heb sinds …’ Hij schudt zijn hoofd en zucht. Ik knik begrijpend en vraag niet sinds wanneer. Het zou het moment verstoren. In plaats daarvan ga ik wat dichterbij zitten en steek mijn hand uit.

‘Laura.’ zeg ik nogal luid.

Een gerimpeld en licht bevend hand omvat het mijne.

‘Theofiel en je hoeft niet zo te roepen. Met mijn gehoor is niets aan de hand!’

Ik bloos lichtjes en terwijl ik mij wil excuseren, zie ik wederom de pretlichtjes in zijn ogen dansen. Ik lach. Niet goed wetende hoe ik verder moet – sociale omgang met vreemden is niet mijn sterkste kant – begint mijn nieuwe kennis te praten.

‘Ja.’ zucht hij. ‘Een mooie dag om plezier te hebben. Het leven is veel te kort! Mijn schoondochter belde mij vandaag. Pa, zei ze, waarom ga je vanavond niet eens wandelen. Zo een ganse dag alleen zitten met zo’n schoon weer, dat is toch niet goed. Je moet wat meer onder de mensen komen. Dat zal je deugd doen! Alleen vergeet ze dat ik niet meer piep ben, mijn benen willen niet meer zo mee. Ik was al tevreden toen ik dat bankje hier zag staan. Alleen, hier zal ik waarschijnlijk niet aan een drankje geraken. Ons Mia zal niet content zijn. Voldoende drinken hé pa, dat is belangrijk op uwe leeftijd, zei ze nog. Ja-ja!’

Ik lach en schud lichtjes mijn hoofd. Ik bedacht dat ik eigenlijk ook wel zin had in iets. Al was het maar om mijn gedachten tot rust te brengen …

‘Zullen we anders samen een terrasje doen, Theofiel?’

Hij kijkt me aan alsof ik niet goed wijs ben. Waar zie jij in godsnaam een café, zie ik hem denken.

‘Kom op Theo, geef me jouw arm en dan gaan we samen op weg. Ik trakteer! Je wil ons Mia toch niet teleurstellen.’ voeg ik er met een knipoog aan toe.

Met een grijns op zijn gezicht staat hij kwiek op.

‘Ons Mia mogen we nooit of te nooit tegenspreken!’ zegt hij en voor ik het weet is hij al een eindje op weg.

Eens ik hem heb ingehaald, vraagt hij mij niet om mijn arm. Ergens ben ik blij, want ondanks dat de zon al bijna onder is, blijft het warm. Ik lijk wel te baden in mijn eigen zweet en hoop dat ik niet ruik. Theofiel lijkt zich echter van niets bewust en blijft honderduit praten, terwijl we de dijk steeds verder en verder aflopen. Geen enkel terras is goed genoeg. Te veel jong volk, te veel oud, te druk, te weinig mensen, … Ik heb de indruk dat hij mij aan het testen is, of misschien verbeeld ik het me. Ik heb alvast grote dorst, dus bij het volgende café zeg ik : ‘Hier gaan we zitten. Ik heb echt wel … ‘

‘Oké!’ zegt hij terwijl hij licht zijn schouders ophaalt. Theo zet zich aan het eerste lege tafeltje dat er is en neemt de kaart. Met een zucht en een lach op mijn lippen zet ik me naast hem neer. Na een minuut of 2 klapt hij het menu dicht en zegt : ‘Nu gaan we genieten van een lekker drankje.’

Ik steek mijn hand op naar een ober, zonder te kijken wat ze hier allemaal aanbieden. Een niet onknappe man, iets ouder dan mezelf, komt op ons af, notitieboekje in de hand. Met een zware, diepe stem spreekt hij ons aan. ‘Goedenavond Theo en …’ Een paar donkere ogen kijken me aan. ‘uw kleindochter?’ De ober kijkt moeizaam weer in de richting van Theofiel, die met moeite de grijns op zijn gezicht kan verbergen.

‘Ha, die Koen, dit is Laura.’ zegt hij. ‘Zij zorgt er deze avond voor dat ik ons Mia niet teleurstel. Mijn slaapmutsje, als je wil!’

Verbaasd bekijk ik de mannen. Waar ben ik in beland, vraag ik me af? Beiden kijken me ondertussen hoopvol aan. Blijkbaar had ik gemist dat Koen, mijn ober voor vanavond, had gevraagd wat ik wou drinken. Ik voel mezelf blozen. ‘Een witte wijn graag en doe maar ook een glas water, plat. Dorstig weer.’ breng ik er moeizaam uit.

‘Komt er aan!’ zegt hij lachend en hij loopt het café binnen. Zowel ik als Theo zeggen geen woord tot onze drankjes voor onze neus staan en Koen terug de zaak is binnen gewandeld

‘Voor je begint. Laat het me eerst uitleggen. Koen is mijn bovenbuur. Mijn vrouw en ik …’ Hij werd even stil, overmand door verdriet. Pas nadat ik even zijn arm aanraakte, ging hij verder. ‘Hij is een goede buurman, helpt me als ik het nodig heb of houdt me gewoon soms een beetje gezelschap. Een babbeltje zo nu en dan is alles wat een oude man als ik soms nodig heeft. Ik heb hem een keertje gevraagd waarom hij nog steeds alleen is. Jullie jongeren hebben het dan over geen tijd en de ware nog niet gevonden. Het ding is je moet tijd maken en aan dat ware gedeelde moet je werken. Ik wou hem gewoon wat helpen. Hij weet van niets, maar toen ik jou zag zitten daar op de bank … Binnen een uurtje zit zijn shift er op. Misschien hebben jullie wel eens nood aan een babbel …’

Theo doet er het zwijgen toe en nipt van zijn cognac. Ik neem een te grote slok wijn. Ergens heb ik zin om gewoon weg te gaan, maar iets houdt me tegen. Ik voel dat Koen regelmatig in mijn richting kijkt en alhoewel ik hem niet ken, weet ik alvast dat hij het hart op de juiste plaats heeft. Wie van ‘mijn generatie’ sluit immers vriendschap met een oude buurman? Hij is een goeie ‘steen’ , net zoals deze gekke, bejaarde man die er mij dus inderdaad heeft ingeluisd. Ik lach nogmaals die avond. Met pretoogjes kijkt hij me aan.

‘Je wint, buurman.’ zeg ik grinnikend. ‘Binnen een uurtje zal ik vragen aan Koen of hij iets wil drinken met mij. Ik ga niet aandringen, dus als hij nee zegt, is het nee! Ondertussen hou ik jou graag nog wat gezelschap.’

‘Daar kan ik mee leven.’ knipoogt hij, terwijl hij nog eens nipt van zijn slaapmutsje.

Kijkend naar Theofiel denk ik terug aan de woorden van Bram Vermeulen. ‘Ik heb een steen verlegd in een rivier op aarde. Nu weet ik dat ik nooit zal zijn vergeten. Ik leverde bewijs van mijn bestaan, omdat door het verleggen van die ene steen de stroom nooit meer dezelfde weg zal gaan.’

Ik hoop dat hij gelijk heeft!

Advertenties